ECLI:NL:RBDHA:2022:13458
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing uitstel vertrek vreemdeling wegens medische omstandigheden
Verzoekster, een Ugandese vreemdeling, vroeg uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege medische klachten. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen. Verzoekster stelde dat het Bureau Medische Advisering (BMA) onvoldoende rekening hield met haar psychische toestand en dat de uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro zou kunnen opleveren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig en voldoende onderbouwd was, waarbij het risico op een gedwongen opname of suïcidepoging als laag werd ingeschat. Verzoekster kon medisch gezien reizen, mits zij haar medicatie en medische gegevens meeneemt. Verzoekster leverde geen contra-expertise of aanvullende medische stukken die het advies konden weerleggen.
Verder werd vastgesteld dat verweerder conform het arrest C.K. had gehandeld door het BMA te raadplegen over de reisvereisten en het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Er waren geen zeer bijzondere omstandigheden die opvang in het COA noodzakelijk maakten.
Gelet op het spoedeisende belang en de beoordeling van het bezwaar, concludeerde de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek is afgewezen wegens het ontbreken van een redelijke kans van slagen en acute medische noodzaak.