ECLI:NL:RBDHA:2022:13468
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen eigen bijdrage opvang asielzoeker na dwangsomuitkering
Eiseres verblijft sinds maart 2019 in een opvangvoorziening van het COA. Op 31 mei 2022 stelde het COA vast dat zij een eigen bijdrage van €5.663,33 verschuldigd is voor haar opvang, omdat zij over vermogen beschikt dat de vermogensgrens overschrijdt. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat de berekening onzorgvuldig was, dat de dwangsomuitkering geen vermogen vormt maar een immateriële schadevergoeding, en dat het besluit niet voldoet aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat het COA voldoende onderzoek heeft gedaan naar het vermogen van eiseres en haar voorafgaand aan het besluit in de gelegenheid heeft gesteld haar financiële situatie toe te lichten. Eiseres heeft geen nadere onderbouwing gegeven en erkent ter zitting dat zij geen schulden heeft. De berekening van de eigen bijdrage is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift (Reba) dat een andere vermogensgrens hanteert dan de Participatiewet, wat gerechtvaardigd is vanwege de aard van de voorzieningen.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de dwangsomuitkering niet als vermogen mag worden meegeteld. De dwangsom is bedoeld als financiële prikkel en niet als immateriële schadevergoeding. Het feit dat het COA een deel van het bedrag ontvangt, doet hieraan niet af. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de eigen bijdrage voor opvangkosten wordt ongegrond verklaard.