ECLI:NL:RBDHA:2022:13548
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken DNA-onderzoek
Eiser, een meerderjarige Eritrese nationaliteit dragende persoon, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan als gezinslid van zijn vermeende vader, die in Nederland verblijft. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser zijn identiteit en familierechtelijke relatie niet aannemelijk kon maken. Verweerder bood DNA-onderzoek aan in Ethiopië om de relatie te bevestigen, maar eiser kon vanwege de onveilige situatie aan de grens met Ethiopië niet aangeven wanneer hij dit onderzoek kon ondergaan.
Verweerder vroeg om een indicatie van de termijn waarbinnen eiser in Addis Abeba aanwezig kan zijn, maar omdat eiser hier geen duidelijkheid over gaf, verklaarde verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat verweerder geen redelijke beoordeling maakte en onvoldoende rekening hield met zijn belangen en de veiligheidssituatie.
De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden voor het DNA-onderzoek niet onevenredig waren en dat verweerder terecht om een termijnindicatie vroeg. De situatie van eiser verschilde niet wezenlijk van andere nareiszaken. Aangezien eiser meerderjarig is en geen duidelijkheid gaf over zijn reisplannen, mocht verweerder het bezwaar ongegrond verklaren.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van duidelijkheid over het ondergaan van DNA-onderzoek.