ECLI:NL:RVS:2021:404
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.TH. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat staatssecretaris DNA-onderzoek passend heeft aangeboden in nareiszaak Eritrese kinderen
De zaak betreft Eritrese minderjarige vreemdelingen die een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland aanvragen om bij hun vermeende biologische zus te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvragen af omdat de kinderen DNA-onderzoek moesten ondergaan op de Nederlandse ambassade in Ethiopië, wat zij vanwege hun leeftijd en veiligheid niet konden.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening hield met de praktische problemen van de kinderen en beval aan dat het DNA-onderzoek in Eritrea via een andere EU-lidstaat moest plaatsvinden. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de staatssecretaris niet verplicht is het onderzoek op de door de rechtbank voorgeschreven wijze te faciliteren, mits hij dit goed motiveert. De staatssecretaris had voldoende onderbouwd dat de situatie van de kinderen niet afwijkt van andere nareiszaken en dat zij niet in schrijnende omstandigheden verkeren.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de staatssecretaris gegrond, waardoor het beroep van de vreemdelingen alsnog ongegrond werd verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de staatssecretaris gegrond, waardoor het beroep van de vreemdelingen ongegrond wordt verklaard.