Eisers kregen in 2016 separaat boetes opgelegd wegens overschrijding van meststoffen- en fosfaatgebruiksnormen en het niet bijhouden van een administratie. Na verlenging van de bezwaartermijn dienden zij pas in november 2020 aanvullende bezwaren in en stelden verweerder in juni 2021 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder verklaarde de bezwaren deels gegrond en verlaagde de boetes tot €150 per persoon. Hij stelde dat de ingebrekestelling onredelijk laat was en dat daardoor geen dwangsommen verschuldigd waren. Eisers voerden aan dat de kostenvergoeding onjuist was gehalveerd en dat zij recht hadden op vergoeding op grond van de Wet Dwangsom en immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de zaken als samenhangend behandelde en dat de ingebrekestelling ruim vier jaar te laat was ingediend, waardoor geen dwangsommen verschuldigd zijn. Ook werd vastgesteld dat het tijdsverloop grotendeels aan eisers zelf te wijten was, zodat geen recht op immateriële schadevergoeding bestaat.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Kleijn op 1 december 2022.