ECLI:NL:RBDHA:2022:13789
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitse autoriteiten in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep buiten zitting ongegrond. Hiertegen ging verzoeker in verzet en vroeg tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht aan Duitsland op te schorten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzet onvoldoende gronden bevatte om aan te nemen dat het verzet een redelijke kans van slagen heeft. De rechtbank had het beroep gemotiveerd buiten zitting afgedaan en inhoudelijk op de beroepsgronden ingegaan. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die de uitzetting naar Duitsland zouden verhinderen.
De overdracht stond gepland op 29 augustus 2022, en de voorzieningenrechter maakte gebruik van de bevoegdheid om zonder zitting uitspraak te doen vanwege de spoedeisendheid. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot opschorting van de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.