ECLI:NL:RBDHA:2022:13789

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2022
Publicatiedatum
20 december 2022
Zaaknummer
NL22.16714
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 lid 4 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitse autoriteiten in asielprocedure

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep buiten zitting ongegrond. Hiertegen ging verzoeker in verzet en vroeg tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht aan Duitsland op te schorten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzet onvoldoende gronden bevatte om aan te nemen dat het verzet een redelijke kans van slagen heeft. De rechtbank had het beroep gemotiveerd buiten zitting afgedaan en inhoudelijk op de beroepsgronden ingegaan. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die de uitzetting naar Duitsland zouden verhinderen.

De overdracht stond gepland op 29 augustus 2022, en de voorzieningenrechter maakte gebruik van de bevoegdheid om zonder zitting uitspraak te doen vanwege de spoedeisendheid. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot opschorting van de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16714
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2022 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd [1] niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 27 juli 2022 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 22 augustus 2022 heeft de rechtbank Den Haag dit beroep buiten zitting ongegrond verklaard.
Verzoeker is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juli 2022 worden opgeschort tot vier weken na de beslissing op het verzetschrift en dat een overdracht aan Duitsland in deze periode achterwege blijft.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Op grond van de wet kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [2] De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de overdracht van verzoeker aan de Duitse autoriteiten staat gepland op 29 augustus om 11:00 uur. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op dit tijdstip zal worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Verzoeker zal niet vanuit bewaring worden overgedragen maar vanuit het [instelling] te [plaats] . De uiterste overdrachtstermijn is gesteld op 1 september 2022.
2. Verzoeker voert aan dat de rechtbank haar beslissing niet draagkrachtig heeft gemotiveerd. Hij meent dat de rechtbank zijn zaak niet buiten zitting had mogen afdoen, nu dit betekent dat geen discussie ter zitting heeft kunnen plaatsvinden. Verder vindt verzoeker dat hij de tekortkomingen in de Duitse rechtsgang wel in beroep heeft aangegeven, met name ten aanzien van de beperkte mogelijkheden voor gesubsidieerde rechtsbijstand in Duitsland. Verzoeker meent vanwege het voorgaande dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich over deze problemen had kunnen richten tot de hogere autoriteiten van Duitsland.
3. Ter beoordeling bij de voorzieningenrechter ligt in de huidige procedure voor of het verzet van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft waardoor verzoeker niet overgedragen mag worden aan Duitsland voordat op zijn verzet is beslist.
4. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker in verzet naar voren heeft gebracht niet op voorhand aanleiding te oordelen dat dit verzet een redelijke kans van slagen heeft. Uit de gronden van het verzoek blijkt de voorzieningenrechter onvoldoende dat de rechtbank het beroep niet buiten zitting heeft kunnen afdoen en dat een zitting noodzakelijk was. [3] Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de rechtbank in de uitspraak van 22 augustus 2022 inhoudelijk is ingegaan op de beroepsgronden van verzoeker. Nu de voorzieningenrechter zich kan vinden in wat de rechtbank in haar uitspraak gemotiveerd heeft overwogen, bestaat er daarom geen aanleiding om daar anders over te oordelen.
5. In verzet heeft verzoeker geen gronden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zich na de uitspraak van de rechtbank nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die zich tegen zijn uitzetting naar Duitsland verzetten.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.N.H.J. Schenk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zoals bedoeld in Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zoals bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb.