ECLI:NL:RBDHA:2022:13831
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling wegens twijfel nationaliteit ongegrond verklaard
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het moment van het sluiten van het onderzoek.
De eiser voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, met name omdat alleen een lp-aanvraag bij de Rwandese vertegenwoordiging was ingediend terwijl hij ook de Congolese nationaliteit zou hebben. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris terecht had gekozen voor het Rwandese traject, aangezien het paspoort van eiser echt was en de Congolese nationaliteit in eerdere procedures als ongeloofwaardig was beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris het onderzoek bij de Rwandese autoriteiten mocht afwachten en niet verplicht was meerdere uitzettingstrajecten tegelijk te volgen. Ook was er geen aanwijzing dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was geworden sinds het eerdere oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.