ECLI:NL:RBDHA:2022:13854

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3284
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking AIO-aanvulling wegens schending inlichtingenplicht en mede-eigendom appartementen

Eiser ontving vanaf 1 oktober 2019 een Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Verweerder trok deze uitkering per 1 oktober 2019 in omdat eiser mede-eigenaar bleek te zijn van drie appartementen met een gezamenlijke WOZ-waarde van €413.000, waardoor zijn vermogen boven de toegestane grens uitkwam.

Eiser stelde dat hij slechts juridisch eigenaar was en geen economisch belang had, omdat de appartementen in 2004 door zijn zoon waren gekocht en hij geen woongenot, rechten of verplichtingen had. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij mede-eigenaar was, ondanks dat hij op het aanvraagformulier ontkennend had geantwoord op de vraag over eigendom van onroerend goed.

De rechtbank volgde de vaste rechtspraak dat beschikken over vermogen betekent dat men feitelijk over een bezitting moet kunnen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over zijn deel van de appartementen kon beschikken. De enkele stelling van zijn zoon dat geprobeerd was de woningen op diens naam te zetten, was onvoldoende.

Omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij recht op AIO-aanvulling zou hebben gehad indien hij wel aan zijn inlichtingenplicht had voldaan, was de intrekking terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de AIO-aanvulling wordt ongegrond verklaard wegens schending van de inlichtingenplicht door eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2022 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. U. Arslan)
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. N. Diamant).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ingetrokken per 1 oktober 2019.
Bij besluit van 21 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2022.
Namens eiser zijn verschenen [A], zijn zoon, en mr. [B], kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt vanaf 1 oktober 2019 een AIO-aanvulling. Bij het primaire besluit is de AIO-aanvulling ingetrokken, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser vanaf 1999 voor een derde eigenaar is van drie appartementen. De WOZ-waarde van die appartementen in Den Haag is op 1 januari 2020 € 413.000,-. Het vermogen van eiser komt daarmee boven de voor hem geldende vermogensgrens uit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2. Eiser voert daartegen aan dat hij slechts juridisch eigenaar van de appartementen is. Hij is geen economisch eigenaar. De woningen zijn in 2004 gekocht door zijn zoon. Eiser heeft meegefinancierd. Eiser heeft geen woongenot, rechten of verplichtingen. De woningen kunnen niet als zijn eigendom worden aangemerkt. Zijn zoon heeft geprobeerd de woningen op zijn naam te laten zetten maar dat is niet gelukt.
3. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat hij mede-eigenaar is van de appartementen in Den Haag. Eiser heeft op het aanvraagformulier voor de AIO-aanvulling van 16 oktober 2019 de vraag of hij eigenaar is van een woning, een stuk grond of ander onroerend goed in Nederland of in het buitenland ontkennend beantwoord. Hij heeft daar niet gemeld dat hij voor een derde eigenaar is van de appartementen. Er is geen deugdelijke verklaring afgelegd waarom die vraag ontkennend is beantwoord.
4. Voor zover eiser stelt dat de appartementen geen bestanddeel van zijn vermogen vormen waarover hij kan beschikken, geldt het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om een bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser heeft in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat de appartementen niet (voor één derde) tot zijn vermogen behoren en dat hij niet over zijn deel zou kunnen beschikken. De enkele - niet onderbouwde - stelling van zijn zoon heeft geprobeerd om de woningen op zijn naam te zetten leidt niet tot een ander oordeel.
5. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de AIO-aanvulling, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat indien destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op AIO-aanvulling zou hebben bestaan. Daarin is eiser niet geslaagd. Dat betekent dat verweerder het recht op AIO-aanvulling per
1 oktober 2019 heeft kunnen intrekken.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2022.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.