ECLI:NL:RBDHA:2022:13854
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking AIO-aanvulling wegens schending inlichtingenplicht en mede-eigendom appartementen
Eiser ontving vanaf 1 oktober 2019 een Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Verweerder trok deze uitkering per 1 oktober 2019 in omdat eiser mede-eigenaar bleek te zijn van drie appartementen met een gezamenlijke WOZ-waarde van €413.000, waardoor zijn vermogen boven de toegestane grens uitkwam.
Eiser stelde dat hij slechts juridisch eigenaar was en geen economisch belang had, omdat de appartementen in 2004 door zijn zoon waren gekocht en hij geen woongenot, rechten of verplichtingen had. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij mede-eigenaar was, ondanks dat hij op het aanvraagformulier ontkennend had geantwoord op de vraag over eigendom van onroerend goed.
De rechtbank volgde de vaste rechtspraak dat beschikken over vermogen betekent dat men feitelijk over een bezitting moet kunnen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over zijn deel van de appartementen kon beschikken. De enkele stelling van zijn zoon dat geprobeerd was de woningen op diens naam te zetten, was onvoldoende.
Omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij recht op AIO-aanvulling zou hebben gehad indien hij wel aan zijn inlichtingenplicht had voldaan, was de intrekking terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de AIO-aanvulling wordt ongegrond verklaard wegens schending van de inlichtingenplicht door eiser.