ECLI:NL:RBDHA:2022:14052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
23 december 2022
Zaaknummer
NL22.25478
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 18 september 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder op 6 oktober 2022 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was.

In dit vervolgberoep stond de vraag centraal of de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek nog steeds rechtmatig was. De eiser stelde dat de toetsingen niet zelfstandig waren uitgevoerd, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris op meerdere momenten de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel heeft beoordeeld, onder meer door gesprekken met de eiser over zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank vond deze toetsing voldoende volledig, aangezien de gronden voor de bewaring niet waren gewijzigd en de eiser geen nieuwe gronden aanvoerde om het voortduren van de maatregel onrechtmatig of onredelijk bezwarend te achten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.25478

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 december 2022 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10441) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat bij de toetsingen, die met redelijke tussenpozen plaats moeten vinden, niet zelfstandig is beoordeeld of nog steeds aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van bewaring is voldaan. Deze gebrekkige toetsing maakt de bewaring onrechtmatig.
4. Niet in geschil is dat verweerder op meerdere momenten heeft getoetst of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Uit de vertrekgesprekken en het voorgangsrapport volgt dat verweerder bij deze toetsing aan eiser uitvoerig heeft gevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden en vervolgens heeft beoordeeld of deze omstandigheden aanleiding geven de maatregel op te heffen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze toetsing daarmee voldoende volledig, nu de gronden voor de bewaring eerder rechtmatig zijn bevonden en sindsdien niet zijn gewijzigd. Eiser heeft in beroep voor het overige geen gronden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de bewaring niet langer zou mogen voortduren of onredelijk bezwarend is. De enkele stelling dat er geen zelfstandige toets heeft plaatsgevonden is dan ook onvoldoende om te concluderen dat de maatregel onrechtmatig is. Ook ambtshalve [1] is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland).