Eiseres heeft op 21 mei 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 6 september 2021. De wettelijke beslistermijn van zes maanden was op 6 maart 2022 verstreken zonder dat verweerder een besluit had genomen, en de rechtbank stelde vast dat geen verlenging van deze termijn was aangevraagd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder in gebreke is gebleven en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, conform het 8+8-weken-model dat de Afdeling bestuursrechtspraak hanteert.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft het besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €379,50 aan eiseres. De rechtbank baseert haar oordeel op bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht, de Vreemdelingenwet 2000, en relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.