ECLI:NL:RVS:2022:3353
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechter kan rechterlijke dwangsom opleggen bij te late besluitvorming asielaanvraag
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelde dat de staatssecretaris een bestuurlijke en rechterlijke dwangsom had verbeurd, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht of de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die sinds 11 juli 2021 geldt en het opleggen van bestuurlijke en rechterlijke dwangsommen in asielprocedures uitsluit, in strijd is met het Unierecht, met name het beginsel van effectieve rechtsbescherming zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het EU-Handvest.
De Afdeling oordeelde dat het uitsluiten van rechterlijke dwangsommen in asielprocedures het recht op effectieve rechtsbescherming aantast. De bestuursrechter moet immers een middel hebben om zijn uitspraak te doen naleven en de staatssecretaris te dwingen binnen een redelijke termijn een besluit te nemen. De Tijdelijke wet biedt geen adequaat alternatief, waardoor deze beperking niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 52 van Pro het EU-Handvest.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin een bestuurlijke dwangsom werd vastgesteld, bevestigde de rest van de uitspraak en verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 april 2022 ongegrond. De staatssecretaris hoeft de proceskosten in hoger beroep niet te vergoeden.
Uitkomst: De bestuursrechter kan ook in asielprocedures een rechterlijke dwangsom opleggen bij niet tijdig beslissen, omdat het uitsluiten daarvan in de Tijdelijke wet in strijd is met het EU-recht.