Eiser diende op 18 oktober 2021 een asielaanvraag in bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De wettelijke beslistermijn van zes maanden werd overschreden zonder dat verweerder een besluit nam. Eiser stelde verweerder op 27 mei 2022 rechtsgeldig in gebreke en diende vervolgens beroep in wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder geen gebruik had gemaakt van verlengingsmogelijkheden en dat het beroep gegrond was. De rechtbank vernietigde het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit en bepaalde dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft. Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten van €379,50. De uitspraak is gebaseerd op de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, alsmede jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.