Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:14416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 december 2022
Publicatiedatum
3 januari 2023
Zaaknummer
AWB - 21 _ 6588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, tweede lid, onder f, PwArt. 4:8 AwbArt. 7:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingteruggave en AIO-aanvulling in sociaal zekerheidsrecht

Eiseres ontving een AIO-aanvulling naast haar AOW-uitkering, die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) is herzien over 2019. De Svb stelde dat een belastingteruggave van €1.028 als inkomen moet worden aangemerkt en daarom in mindering gebracht op de AIO-aanvulling. Eiseres betoogde dat deze teruggave een vergoeding is voor niet-vergoede zorgkosten en niet als inkomen mag worden beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was een voornemen tot afwijzing vooraf kenbaar te maken, omdat eiseres zelf de benodigde informatie had verstrekt. Ook was het niet noodzakelijk het verslag van de hoorzitting vooraf te verstrekken. Juridisch werd overwogen dat op grond van artikel 31 Pw Pro vergoedingen voor niet-vergoede zorgkosten niet als middelen worden aangemerkt, mits zij verband houden met aftrekpost zorgkosten.

De rechtbank volgde echter het standpunt van verweerder dat de teruggave geen verband houdt met de aftrekpost zorgkosten. Verweerder had berekend dat de teruggave ook zonder aftrek zorgkosten zou zijn ontvangen. Eiseres had dit niet kunnen aantonen. Daarom was de herziening van de AIO-aanvulling terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de herziening van de AIO-aanvulling gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/6588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2022 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: Ö. Gürler)
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: J.Y. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2021 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) herzien over de periode januari 2019 tot en met december 2019. Bij afzonderlijk besluit van 17 maart 2021 (primair besluit II) is de volgens verweerder door eiseres in 2019 teveel ontvangen AIO-aanvulling ten bedrage van € 954,87 teruggevorderd.
Bij besluit van 1 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit inzake de herziening ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2022.
Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Eiseres ontvangt naast haar AOW-uitkering een AIO-aanvulling die bij besluiten van 5 februari 2019, 24 mei 2019 (naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot), 30 oktober 2019 en 9 maart 2020 is herzien. Op 9 maart 2021 heeft verweerder de door hem verzochte kopie van de aangifte inkomstenbelasting 2019 en de voorlopige en definitieve aanslagen van de inkomstenbelasting 2019 van eiseres ontvangen. Naar aanleiding van deze documenten heeft verweerder de primaire besluiten genomen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het bedrag van € 1.028 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekering, dat eiseres van de Belastingdienst over 2019 heeft teruggekregen, als inkomen moet worden aangemerkt. De teruggave moet daarom in mindering worden gebracht op de AIO-aanvulling. De teruggave ziet niet op niet-vergoede uitgaven voor ziekte, omdat eiseres de teruggave ook zou hebben ontvangen indien er geen sprake zou zijn van zorgkosten, aldus verweerder.
3. Eiseres betoogt dat de teruggave over 2019 niet in mindering moet worden gebracht op haar AIO-aanvulling. Eiseres stelt allereerst dat verweerder ten onrechte de (gronden van) afwijzing niet vooraf aan haar kenbaar heeft gemaakt, zodat zij door de primaire besluiten onaangenaam was verrast. Ook is aan eiseres het verslag van de hoorzitting niet voorgelegd voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, maar pas als bijlage bij het bestreden besluit aan eiseres verstrekt. Inhoudelijk stelt eiseres dat de teruggave van € 1.028 een vergoeding betreft in de zin van artikel 31, tweede lid, onder f, van de Participatiewet (Pw) voor niet-vergoede uitgaven voor ziekte. Eiseres heeft deze vergoeding ontvangen van de belastingdienst voor niet-vergoede medicijnen, dieetkosten en extra kosten van wassen en kleding in verband met ziekte. De vergoeding behoort daarom niet tot de middelen die in mindering worden gebracht op de AIO-aanvulling. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2010 [1] en de websites ‘meerkosten.nl’ en ‘overlevingsgids.dedes.nl/participatiewet/teruggave’. Verweerder voert volgens eiseres ten onrechte aan dat eiseres dezelfde teruggave zou hebben ontvangen indien uit wordt gegaan van de inkomsten in box 1 zonder aftrek van zorgkosten. Dit is een ‘als dan’ redenering die afwijkt van het besluit van de inspecteur van de Belastingdienst en bovendien is het nemen van besluiten over belastingteruggave voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst. Verder heeft eiseres hogere zorgkosten, maar krijgt zij deze niet geheel vergoed omdat de teruggave van de zorgkosten niet hoger kan zijn dan de ingehouden loonheffing.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
Voornemen afwijzing
4.1
Eiseres stelt dat verweerder, nadat eiseres haar zienswijze op de hoorzitting had toegelicht, het voornemen tot herziening aan haar kenbaar had moeten maken. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder a en b, Algemene wet bestuursrecht (Awb), voordat zij een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien (a) de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en (b) die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. Nu eiseres zelf de benodigde informatie heeft overgelegd waardoor tussen partijen een geschilpunt is ontstaan, was verweerder niet verplicht om een voornemen tot ongegrondverklaring van het bezwaar kenbaar te maken. Verder is de vraag of een belastingteruggave moet worden aangemerkt als inkomen ook aan de orde geweest in een bezwaarprocedure van eiseres met betrekking tot 2018, waarin verweerder dezelfde argumenten heeft aangevoerd voor de ongegrondverklaring van het betreffende bezwaar. Van een verrassing kan daarom geen sprake zijn.
Verslag hoorzitting
4.2
Eiseres stelt dat verweerder het verslag van de hoorzitting aan haar had moeten sturen voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:7 Awb Pro van het horen een verslag wordt gemaakt. Het bestuursorgaan is niet verplicht dit verslag aan de bij de bezwaarprocedure betrokken partijen toe te sturen. [2] Er kan ook voor worden gekozen om wat in de hoorzitting naar voren is gebracht in de beslissing op bezwaar op te nemen. [3]
De AIO-aanvulling
4.3
Op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Pw worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend.
4.4
Tussen partijen is in geschil of de teruggave van de Belastingdienst over 2019 verband houdt met de aftrekpost zorgkosten. Partijen zijn het erover eens dat – zoals in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarnaar eiseres heeft verwezen is bevestigd – als dit wel het geval is, de teruggave niet geldt als inkomen voor de Participatiewet, omdat het gaat om kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren.
4.5
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verweerder geen ‘als-dan’ redenering mag toepassen. Daarmee beoogt verweerder aan te tonen dat de teruggave aangemerkt moet worden als inkomen en is geen sprake van een besluit inzake belastingteruggave. Verweerder heeft berekend dat ook zonder de aftrekpost voor zorgkosten, eiseres over het jaar 2019 een teruggave van € 1.028 zou hebben ontvangen.
Verweerder licht toe dat eiseres, indien de door eiseres opgevoerde zorgkosten niet worden meegenomen als inkomsten in box 1, geen inkostenbelasting en premie volksverzekeringen zijn verschuldigd, terwijl wel loonheffing is ingehouden. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat als de teruggave zou zien op zorgkosten, hiervoor een aparte beschikking door de Belastingdienst wordt gewezen. De rechtbank kan zich daarom vinden in verweerders standpunt dat de belastingteruggave van eiseres geen verband houdt met de aftrekpost zorgkosten. Nu eiseres niet heeft aangetoond dat dat wel het geval is geweest, heeft verweerder de teruggave van € 1.028 terecht als inkomen aangemerkt en het recht van eiseres op AIO-aanvulling over de te beoordelen periode terecht herzien.
5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.CRvB 23 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL8828.
2.ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1225.
3.ABRvS 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:679.