ECLI:NL:RVS:2013:1225
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor functie zwemonderwijzer na zedendelict
Appellant heeft op 3 maart 2009 een veroordeling gekregen wegens ontucht met een minderjarige en ontucht met misbruik van gezag, waarvoor hij een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf kreeg opgelegd. Naar aanleiding hiervan weigerde de staatssecretaris op 21 februari 2012 de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor de functie van zwemonderwijzer, een besluit dat na bezwaar en beroep door rechtbank en Raad van State werd bevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de beleidsregels omtrent de VOG-toekenning niet kennelijk onredelijk zijn en dat de strafrechtelijke antecedenten van appellant, gelet op het risico voor de samenleving en de aard van de functie met een gezagsrelatie, een belemmering vormen voor het verkrijgen van een VOG. Appellant stelde dat de staatssecretaris en rechtbank procedurele fouten maakten en dat de beleidsregels disproportioneel zijn, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Afdeling concludeerde dat de belangenafweging tussen het belang van appellant en de bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving correct is gemaakt, dat het recht op privéleven niet onevenredig wordt aangetast en dat de weigering van de VOG terecht is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Roermond wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag vanwege eerdere zedendelicten en het risico voor de samenleving.