ECLI:NL:RBDHA:2022:14438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende motivering zicht op uitzetting naar Marokko
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 1 juli 2022 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder hief deze maatregel op 14 juli 2022. Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende motivering over het zicht op uitzetting naar Marokko, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2021.
De rechtbank oordeelde dat de standaardmotivering in het bestreden besluit onvoldoende was. De Afdeling had eerder geoordeeld dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko was vanwege het ontbreken van laissez passers in 2020. Verweerder had in de maatregel moeten aangeven welke feiten en omstandigheden het zicht op uitzetting rechtvaardigden, wat niet was gebeurd.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring daarom vanaf het begin onrechtmatig was. Op grond hiervan kende de rechtbank een schadevergoeding toe voor 14 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, bestaande uit verblijf in politiecel en detentiecentrum. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegekend. Het beroep werd gegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van bewaring was onrechtmatig wegens onvoldoende motivering van het zicht op uitzetting en eiser kreeg een schadevergoeding van €1.490 toegekend.