ECLI:NL:RBDHA:2022:14438

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2022
Publicatiedatum
4 januari 2023
Zaaknummer
NL22.12856
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 15 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende motivering zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 1 juli 2022 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder hief deze maatregel op 14 juli 2022. Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende motivering over het zicht op uitzetting naar Marokko, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2021.

De rechtbank oordeelde dat de standaardmotivering in het bestreden besluit onvoldoende was. De Afdeling had eerder geoordeeld dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko was vanwege het ontbreken van laissez passers in 2020. Verweerder had in de maatregel moeten aangeven welke feiten en omstandigheden het zicht op uitzetting rechtvaardigden, wat niet was gebeurd.

De rechtbank stelde vast dat de bewaring daarom vanaf het begin onrechtmatig was. Op grond hiervan kende de rechtbank een schadevergoeding toe voor 14 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, bestaande uit verblijf in politiecel en detentiecentrum. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegekend. Het beroep werd gegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De maatregel van bewaring was onrechtmatig wegens onvoldoende motivering van het zicht op uitzetting en eiser kreeg een schadevergoeding van €1.490 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.12856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kai Kai).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 14 juli 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder meent dat er sprake is van zicht op uitzetting. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:698) waarin is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Sindsdien zijn er geen andere uitspraken meer gedaan over het zicht op uitzetting naar Marokko. In het formulier M109 zijn alleen de standaardzinnen opgenomen dat niet is gebleken dat eiser de nationaliteit heeft van een staat die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer of waarvoor een vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige belemmering voor de uitzetting geldt en dat niet is gebleken dat het (mogelijke) land van herkomst geen (vervangende) reisdocumenten zal verstrekken voor gedwongen terugkeer. Maar dat is volgens eiser precies waar het hier om gaat: Marokko verleent geen medewerking aan gedwongen terugkeer en verstrekt geen (vervangende) reisdocumenten. Verweerder had moeten motiveren waarom in dit geval toch zicht op uitzetting bestaat, ondanks de Afdelingsuitspraak van 2 april 2021. Eiser stelt zich niet op het standpunt dat de bewaring onrechtmatig is geweest in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting maar meent dat de oplegging van bewaringsmaatregel onvoldoende is gemotiveerd en dat hem om die reden schadevergoeding toekomt vanaf de aanvang van de maatregel op 1 juli 2022.
4. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser een standaardmotivering van het zicht op uitzetting naar Marokko in de maatregel van bewaring onvoldoende is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor zicht op uitzetting mede bepalend of de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 april 2021 overwogen dat er in 2020 geen laissez passers (lp’s) door de Marokkaanse autoriteiten zijn verstrekt om vreemdelingen naar Marokko te kunnen uitzetten en dat de laatste uitzetting met een lp plaatsvond in 2019. Volgens de Afdeling bestaat er op dat moment grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Zoals door eiser terecht is aangevoerd is er sinds deze uitspraak geen uitspraak van de Afdeling geweest waarin anders over zicht op uitzetting naar Marokko is geoordeeld. In eisers geval is een standaardmotivering over het bestaan van zicht op uitzetting naar Marokko in de maatregel van bewaring daarom onvoldoende. De standaardmotivering van verweerder verdraagt zich in dit geval niet met het in artikel 15, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn gestelde motiveringsvereiste en de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320 Mahdi) daaraan heeft gegeven. Verweerder had in de maatregel van bewaring moet vermelden welke feiten en omstandigheden voor hem aanleiding vormen om aan te nemen dat er ten tijde van het nemen van het besluit, ondanks de eerdere uitspraak van de Afdeling, wel zicht op uitzetting was. De toelichting van verweerder ter zitting dat eisers geval verschilt van de gevallen waar de Afdeling het in haar uitspraak van 2 april 2021 over heeft omdat er in dit geval in 2018 al een lp is afgegeven, er een presentatie is gepland en een presentatie is geweest, kan dit gebrek niet helen. Nog los van de vraag of deze motivering voldoende is om wel zicht op uitzetting aan te nemen had deze motivering in de maatregel opgenomen moeten worden. De maatregel van bewaring is deze naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het zicht op uitzetting naar Marokko dus onvoldoende gemotiveerd.
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 3 x € 130,- (verblijf politiecel) en 11 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.490,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.490,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van M.M.J. Mooijer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 juli 2022.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.