ECLI:NL:RBDHA:2022:14441
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om verblijfsdocument EU/EER voor meerderjarige kinderen bij vader afgewezen wegens onvoldoende bewijs ten laste komen
Eisers, meerderjarige kinderen van Ghanese nationaliteit, vroegen om een verblijfsdocument EU/EER om bij hun vader in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees deze aanvragen af omdat niet was aangetoond dat eisers ten laste kwamen van hun vader, zoals vereist volgens artikel 8.7, tweede lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit.
Eisers stelden dat zij financieel afhankelijk waren van hun vader, die hen regelmatig ondersteunde, en dat zij door hun sociale en economische situatie in Ghana niet in hun basisbehoeften konden voorzien. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de noodzaak van deze ondersteuning niet was aangetoond en dat de verklaring van de moeder ten onrechte als niet-gelegaliseerd werd beschouwd.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat verweerder ten onrechte had afgezien van het horen van eisers in de bezwaarprocedure, terwijl dit essentieel is voor een zorgvuldige beoordeling. De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en gaf verweerder acht weken de tijd om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de verblijfsaanvragen en draagt op tot nieuwe besluitvorming binnen acht weken met inachtneming van de uitspraak.