Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] ,
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
Rechtbank Den Haag
Eiseres en haar minderjarige neefje zijn vanuit Irak naar Nederland gereisd en hebben asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen en bepaald dat zij wordt overgedragen aan Duitsland, omdat de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zijn volgens de Dublinverordening. Het neefje is als alleenstaande minderjarige vreemdeling onder voogdij gesteld en zijn asielaanvraag wordt inhoudelijk behandeld.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden uitgegaan van de familieband tussen eiseres en haar neefje. De authenticiteit van de overgelegde documenten is onvoldoende onderzocht, en de discrepanties in geboortedata en namen zijn door eiseres aannemelijk verklaard. Tevens heeft verweerder op zitting erkend dat het subsidiaire standpunt onjuist is en onvoldoende gemotiveerd waarom de asielaanvraag van eiseres niet aan zich wordt getrokken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank weegt mee dat de voogdijinstelling en het neefje zelf benadrukken dat het niet in het belang van het kind is om van zijn tante gescheiden te worden. Eiseres verzorgt het kind en vormt een belangrijke stabiele factor in zijn leven. Gezien deze omstandigheden en de gebrekkige motivering vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.