ECLI:NL:RBDHA:2022:14602

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2022
Publicatiedatum
11 januari 2023
Zaaknummer
C/09/636552 / KG RK 22-1232
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens aanhoudingsbeslissing in kort geding

In deze zaak hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die in een kort geding de behandeling van de hoofdzaak heeft aangehouden zonder verzoekers in de gelegenheid te stellen te reageren. De aanhouding volgde op een verzoek van de wederpartij om uitstel vanwege de wens tot rechtsbijstand.

De wrakingskamer oordeelt dat een beslissing tot aanhouding een procedurele beslissing betreft die geen grond voor wraking kan vormen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid opleveren. Dit is hier niet het geval. De rechter heeft gehandeld volgens het procesreglement, waarbij het verzoek tot uitstel conform de regels is gehonoreerd.

Verder is geen algemene regel dat een rechter een verzoek om aanhouding aan de wederpartij moet voorleggen voordat hij daarop beslist. De wrakingskamer ziet geen aanwijzingen dat de rechter vooruitliep op de inhoudelijke beoordeling of partijdig was jegens verzoekers.

Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen en het proces wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens de aanhoudingsbeslissing wordt afgewezen en het proces wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2022/70
zaak- /rekestnummer: C/09/636552 / KG RK 22-1232
Beslissing van 21 oktober 2022 (bij vervroeging)
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
wonende te Eindhoven,
hierna te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. M. Taheri te Capelle aan den IJssel,
strekkende tot de wraking van
mr. A.J. Japenga,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 oktober 2022;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 14 oktober 2022.
1.2.
Op 17 oktober 2022 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- [verzoeker 1] , bijgestaan door mr. Taheri;
- [wederpartij] , de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 10121620 RL EXPL 22-15757 tussen verzoekers en [wederpartij] . In dit kort geding heeft [wederpartij] de rechtbank verzocht om de zitting van 12 oktober 2022 uit te stellen, omdat hij wilde worden bijgestaan door een advocaat. Daarop heeft de rechter een nieuwe zittingsdatum bepaald op 26 oktober 2022. Verzoekers zijn niet in de gelegenheid gesteld om op het verzoek om uitstel te reageren.
2.2.
Verzoekers hebben blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekers zijn het niet eens met de beslissing van de rechter om de behandeling van de hoofdzaak aan te houden, zonder dat zij daarop gehoord zijn. Volgens verzoekers is niet overeenkomstig het procesreglement gehandeld. De rechter heeft het aanhoudingsverzoek gehonoreerd, zonder te vragen om een aanvullende motivering van dat verzoek en zonder verzoekers om een reactie te vragen. Daaruit blijkt dat de rechter het belang van [wederpartij] bij een aanhouding zwaarder vond wegen dan het belang van verzoekers bij een spoedige behandeling van het kort geding. Volgens verzoekers is daardoor de schijn van partijdigheid ontstaan.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
De beslissing van de rechter om de behandeling van de zaak aan te houden is een procedurele beslissing. Een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, dat is gebaseerd op de procedurele beslissing van de rechter, in beginsel niet toewijsbaar is. Dit zou alleen anders kunnen zijn als de motivering van deze beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het dan om een uitzonderlijk geval moet gaan.
3.3.
Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Bij de beoordeling van de vraag of de beslissing niet anders dan door vooringenomenheid kan zijn ingegeven, moet worden betrokken onder welke omstandigheden en binnen welk procedureel kader deze beslissing is genomen. In de eerste plaats geldt dat de zitting was gepland zonder dat rekening was gehouden met de verhinderdata van [wederpartij] . Dat verzoekers – zoals zij in hun wrakingsverzoek uiteen hebben gezet – [wederpartij] wel om zijn verhinderdata hadden gevraagd, maar dat hij heeft geweigerd die op te geven, blijkt niet uit het formulier waarmee het kort geding is aangevraagd. Daarmee was de rechter dan ook niet bekend. Als de zittingsdatum in een kort geding is bepaald zonder dat de eisende partij de verhinderdata van de gedaagde heeft opgegeven, bepaalt het procesreglement dat een verzoek van gedaagde om verplaatsing van de zitting kan worden toegestaan. De rechter heeft daarmee gehandeld overeenkomstig het procesreglement.
3.4.
Daarbij komt dat, anders dan verzoekers lijken aan te nemen, geen algemene regel geldt dat een rechter een verzoek om aanhouding aan de wederpartij moet voorleggen voordat hij daarop beslist (daargelaten dat dat wel aanbevelenswaardig is als hiertoe de gelegenheid bestaat). Het feit dat de rechter op het aanhoudingsverzoek heeft beslist zonder te vragen om een reactie van verzoekers, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de beslissing van de rechter naar objectieve maatstaven niet anders kan worden verstaan dan als blijk van haar vooringenomenheid. Uit de beslissing van de rechter kan niet worden afgeleid dat zij is vooruitgelopen op de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Ook anderszins is de wrakingskamer niet gebleken van vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekers.
3.5.
In het licht van het voorgaande wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekers p/a mr. Taheri;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de (kanton)rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Brandt, E.A.W. Schippers en D. Biever, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Nijhuis, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2022.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.