Eiseres, een Keniaanse nationaliteit houdende vrouw geboren in 2003, verzocht op 2 november 2021 om een visum voor kort verblijf voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie en twijfel over het vertrek uit het Schengengebied.
Na afwijzing van het bezwaar stelde eiseres beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure bleek dat eiseres op 24 mei 2022 een nieuwe visumaanvraag had ingediend, die werd toegekend voor de periode van 2 juni tot 15 september 2022. Hierdoor verloor zij het procesbelang bij het beroep.
Eiseres voerde aan dat zij kosten had gemaakt voor de nieuwe aanvraag die vermeden hadden kunnen worden bij een juiste beoordeling van de eerste aanvraag. De rechtbank oordeelde echter dat vergoeding van deze kosten niet via de bestuursrechter kan worden gevorderd, maar via een verzoek aan de minister.
De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een actueel en reëel belang, en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.