ECLI:NL:RVS:2021:1145
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid staatssecretaris inzake ingangsdatum rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de staatssecretaris verplichtte de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van een Eritrese vreemdeling met afgeleid verblijfsrecht vast te stellen. De vreemdeling had een artikel 9-document ontvangen, maar wilde tevens duidelijkheid over de ingangsdatum van haar rechtmatig verblijf.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet bevoegd zou zijn deze ingangsdatum vast te stellen, en stelde dat de ingangsdatum ook voor de vreemdeling zelf van belang is. De staatssecretaris voerde aan dat hij deze bevoegdheid niet heeft en dat vaststelling van de ingangsdatum in het kader van andere rechten kan plaatsvinden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat het verblijfsrecht van rechtswege ontstaat en dat er geen onderscheid is tussen verblijfsrechten op grond van artikel 20 VWEU Pro en de Verblijfsrichtlijn. De Afdeling bevestigt dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf op verzoek van de vreemdeling vast te stellen, en dat dit een aangelegenheid is voor de wetgever.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris is niet bevoegd om op verzoek van de vreemdeling de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.