ECLI:NL:RBDHA:2022:14869
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning asiel
Eiser heeft een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, waarbij hij betwist dat de ingangsdatum van de vergunning correct is vastgesteld op 17 maart 2021. Hij stelt dat de ingangsdatum moet zijn vastgesteld op 20 maart 2018, de datum van zijn eerste asielaanvraag.
De rechtbank heeft beoordeeld of de aanvraag van eiser moet worden gezien als een verzoek om bestuurlijke heroverweging van eerdere besluiten of als een opvolgende aanvraag. Uit de aanvraag en de bijbehorende stukken blijkt niet dat eiser een heroverweging heeft verzocht. Ook de brief van de UNHCR bevat geen verzoek tot heroverweging.
De rechtbank overweegt dat hoewel eiser vreest voor zijn veiligheid vanwege zijn seksuele geaardheid, dit op zichzelf geen verzoek om heroverweging inhoudt. De aanvraag bevat nieuwe feiten, zoals een grondwetswijziging in Rusland en een dreigbrief uit 2020, die niet eerder aan de orde waren.
De rechtbank benadrukt het belang van rechtszekerheid en volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De verblijfsvergunning is daarom terecht verleend met ingang van 17 maart 2021. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.