ECLI:NL:RBDHA:2022:14882
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Emaus-Visschers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering asielaanvraag op basis van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelt dat hij in Duitsland is uitgeprocedeerd en vreest terugkeer naar Nigeria, wat indirect refoulement zou betekenen. Hij beroept zich op bijzondere individuele omstandigheden, waaronder zijn in Duitsland geboren kinderen.
De rechtbank toetst of het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden toegepast en of er sprake is van een reëel risico op indirect refoulement. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij overdracht aan Duitsland een risico loopt op onmenselijke behandeling. De Duitse autoriteiten hebben volgens het claimakkoord van mei 2022 garanties gegeven dat zij het asielverzoek adequaat zullen behandelen.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris terecht geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek in Nederland in behandeling te nemen op grond van bijzondere individuele omstandigheden. De aanwezigheid van kinderen in Duitsland is niet relevant voor de Dublinprocedure en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid oplevert.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden niet vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen.