ECLI:NL:RBDHA:2022:1491
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Cuba
Eiser, een Cubaanse nationaliteit, verzocht om een visum kort verblijf om zijn Nederlandse echtgenote en haar familie te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat de sociale en economische binding met Cuba onvoldoende was om een tijdige terugkeer te waarborgen. Tevens werd eiser als een bedreiging voor de volksgezondheid gezien vanwege COVID-19.
Eiser stelde dat hij een baan heeft in Cuba, inkomen genereert en zorg draagt voor zijn minderjarige zoon, en beriep zich op de regeling langeafstandsrelaties. Daarnaast betoogde hij dat het besluit onzorgvuldig was genomen, onder meer omdat verweerder niet had gehoord en nieuwe weigeringsgronden had toegevoegd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsruimte heeft en dat de bewijsstukken onvoldoende inzicht gaven in een sterke economische of sociale binding. De zorg- en opvoedtaken voor de zoon waren onvoldoende onderbouwd, en er waren geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die terugkeer afdwingen. Het beroep op de regeling langeafstandsrelaties kon daarom niet slagen.
Verder werd geoordeeld dat het horen niet verplicht was omdat het bezwaar geen ander besluit kon opleveren en dat de toevoeging van de bedreiging voor de volksgezondheid als nieuwe grond binnen de heroverweging viel. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.