ECLI:NL:RBDHA:2022:14910
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen bevel tot stillegging werkzaamheden wegens valgevaar
Verzoekster, een onderneming die werkzaamheden verricht aan woningen, kreeg van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bevel tot stillegging van haar werkzaamheden voor de duur van een maand wegens herhaalde overtredingen van veiligheidsvoorschriften rondom valgevaar. Na eerdere boetes en een schriftelijke waarschuwing volgde het stilleggingsbevel omdat verzoekster onvoldoende maatregelen nam om valgevaar te voorkomen.
Verzoekster betoogde dat het valgevaar minder was dan door verweerder gesteld, dat de vorm van de woning het onmogelijk maakte veiligheidsvoorzieningen te treffen, dat de minister niet bevoegd was het bevel op te leggen vanwege het tijdsverloop sinds de eerste overtreding, en dat het bevel onevenredig was. De voorzieningenrechter oordeelde dat het boeterapport en de foto's voldoende bewijs leverden van valgevaar van 5 tot 8 meter en dat de vorm van de woning geen belemmering vormde voor veiligheidsmaatregelen.
De bevoegdheid van verweerder tot het opleggen van het bevel bleef intact omdat het bevel binnen vijf jaar na de waarschuwing werd gegeven. De belangenafweging toonde dat het bevel een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel is om herhaling te voorkomen, mede gezien eerdere boetes en waarschuwingen zonder gedragsverbetering. De gevolgen voor verzoekster waren niet onomkeerbaar of disproportioneel.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Het stilleggingsbevel blijft van kracht en verzoekster dient dit binnen een week na de uitspraak uit te voeren.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bevel tot stillegging wordt afgewezen en het stilleggingsbevel blijft van kracht.