ECLI:NL:RVS:2021:2229
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete en waarschuwing preventieve stillegging wegens arbeidsongeval met uitbeenmes niet terecht opgelegd
Op 7 december 2018 liep een medewerker van een vleesverwerkend bedrijf in Tilburg letsel op aan zijn rechterpink tijdens werkzaamheden met een uitbeenmes. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan het bedrijf een bestuurlijke boete van €43.200,- en een waarschuwing preventieve stillegging op wegens overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde deze besluiten en verklaarde de beroepen van het bedrijf gegrond.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het bedrijf geen eenduidige veilige werkwijze had voor het gebruik van het uitbeenmes, waardoor het gevaar van een ongewilde gebeurtenis niet voldoende was voorkomen. Het boeterapport vermeldde dat het slachtoffer met twee handen een vleesstuk draaide terwijl hij het mes vasthield, wat leidde tot het ongeval.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat het ongeval niet plaatsvond tijdens het draaien van het vleesstuk, maar bij het oppakken en neerleggen ervan, in strijd met veiligheidsinstructies. Hierdoor was het boeterapport onvoldoende als grondslag voor de boete en waarschuwing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de opgelegde bestuurlijke boete en waarschuwing preventieve stillegging onterecht zijn en wijst het hoger beroep van de staatssecretaris af.