ECLI:NL:RBDHA:2022:14913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 december 2022
Publicatiedatum
25 januari 2023
Zaaknummer
SGR 22/8061
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting tabakswinkel wegens handel in harddrugs

De burgemeester van Den Haag heeft op 29 november 2022 besloten de tabakswinkel van verzoekster aan het Valkenbosplein 12 voor drie maanden te sluiten vanwege de vondst van handelshoeveelheden harddrugs in de ruimte achter de winkel. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting op te schorten totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster een spoedeisend belang heeft omdat zij door de sluiting geen inkomen kan verwerven. De bevoegdheid van de burgemeester om het pand te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet staat niet ter discussie. De rechter toetste de noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting aan de hand van jurisprudentie en het gemeentelijk beleid.

Hoewel verzoekster stelde dat de sluiting niet noodzakelijk en onevenredig was omdat zij geen dader maar slachtoffer is en het incident eenmalig zou zijn, vond de voorzieningenrechter dat de burgemeester zich op het standpunt kon stellen dat vanuit het pand drugs werden verhandeld. Dit blijkt uit de aangetroffen handelshoeveelheden, weegschaal en versnijdingsmiddelen, en het incident met de ex-partner die de ruimte gebruikte.

De duur van drie maanden werd als evenredig beoordeeld, mede omdat verzoekster als ondernemer toezicht had moeten houden en maatregelen had moeten treffen. De financiële gevolgen voor verzoekster wegen niet op tegen de ernst van de situatie. Het bezwaar maakt geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het pand gesloten blijft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de tabakswinkel wordt afgewezen en het pand blijft gesloten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8061
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 december 2022 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] h.o.d.n. [h.o.d.n.], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Vermaat),
en

de burgemeester van Den Haag (verweerder)

(gemachtigde: mr. E.P. Alonso).

Procesverloop

Bij besluit 29 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de onmiddellijke sluiting bevolen van het winkelpand aan de Valkenbosplein 12 voor de duur van drie maanden.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan. De motivering volgt onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft met het bestreden besluit de tabakswinkel van verzoekster gesloten voor de duur van drie maanden tot en met 15 februari 2023, omdat in de ruimte achter de winkel handelshoeveelheden drugs zijn gevonden. [1] Op 14 november 2022 heeft in de winkel een incident plaatsgevonden met de ex-partner van verzoekster, waarbij door de politie de ruimte achter de winkel is doorzocht. De politie heeft een gripzakje met 4,7 gram cocaïne gevonden, een blok cocaïne van 997,8 gram, een boterhamzakje met 12,5 gram cocaïne en een blok Fenacetine (versnijdingsmiddel) van 683,3 gram. Ook is er een grammenweegschaal en een steelpan met resten cocaïne aangetroffen.
Waarom is verzoekster het niet eens met verweerder?
3. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter het bestreden besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. Zij stelt dat de sluiting niet noodzakelijk en onevenredig is. De sluiting is niet noodzakelijk omdat er geen indicaties zijn dat vanuit de winkel en de ruimte daarachter drugs is verkocht, afgeleverd en/of verstrekt. Het is een eenmalig incident omdat haar ex-partner zonder toestemming het pand is ingegaan. Het pand heeft dus geen relatie met het drugsmilieu. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen sprake was van een loop naar het pand of overlast. De winkel ligt ook niet in een kwetsbaar gebied. Ook bestaat er geen risico op herhaling nu de sloten zijn vervangen en haar ex-partner geen sleutels heeft. Verzoekster betoogt ook dat de sluiting onevenredig is, nu zij geen dader, maar juist slachtoffer is. Haar kan geen verwijt worden gemaakt, maar zij draagt wel de consequenties van het gedrag van haar ex-partner. Zo heeft de sluiting financiële gevolgen voor haar omdat zij geen inkomen heeft met als gevolg dat haar schulden zullen toenemen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft, omdat verzoekster door de onmiddellijke sluiting van het winkelpand geen inkomen kan verwerven. Verzoekster heeft belang bij een snelle opening van de winkel.
Noodzaak van de sluiting
5. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in beginsel bevoegd is om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet voor een bepaalde duur het winkelpand te sluiten. Volgens het beleid van verweerder wordt bij het aantreffen van handelshoeveelheden harddrugs een winkelpand gesloten.
6. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [2] volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of verweerder met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan zal de burgemeester - als hij zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was - nader moeten onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. In dit soort gevallen is een sluiting van meer dan zes maanden in beginsel onevenredig is. Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit er toe leiden dat er geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten.
7. Verweerder heeft de sluiting gebaseerd op de bestuurlijke rapportage. In deze bestuurlijke rapportage staat niet dat er meldingen zijn gedaan waarin het pand in verband wordt gebracht met mogelijke drugshandel. De aanleiding voor de doorzoeking was een incident in het pand waarmee de openbare orde werd verstoord. Bij dit incident waren de ex-partner van verzoekster en een vrouw betrokken. Naast de handelshoeveelheden harddrugs zijn in het pand ook attributen aangetroffen die duiden op handel, namelijk een grammenweegschaal en versnijdingsmiddel (Fenacetine). Dit zijn aanwijzingen dat vanuit het pand werd gehandeld. Dit maakt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld. Verder is van belang dat de hoeveelheid harddrugs bij elkaar niet gering was. Verweerder heeft daarom de sluiting van drie maanden noodzakelijk kunnen vinden.
Evenwichtigheid van de sluiting
8. Als verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Verschillende omstandigheden zijn bij de evenredigheid van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [3]
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van drie maanden in dit geval evenredig. De aangetroffen handelshoeveelheden drugs, de weegschaal, het versnijdingsmateriaal en het incident heeft verweerder als voldoende ernstig mogen aanmerken. Dit maakt handel vanuit de winkel aannemelijk ook al wenste verzoekster dat niet. Daar komt bij dat verweerder verzoekster een verwijt kan maken. Van verzoekster mag als huurder en ondernemer verwacht worden dat zij toezicht uitoefent op de winkel en de bijbehorende ruimte. De zorg voor twee kinderen doet daar niet aan af. Verweerder stelt terecht dat het op de weg van verzoekster lag om maatregelen te treffen, zoals het vervangen van de sloten of het uitbesteden van het toezicht. Dat dit noodzakelijk was blijkt uit de verklaringen van verzoekster dat haar ex-partner eerder geld uit de kassalade heeft gestolen, zij hem verdacht van drugsgebruik en hij zich agressief en vreemd gedroeg richting klanten en vertegenwoordigers van bedrijven. Ook heeft verweerder in dit kader relevant mogen vinden dat het aannemelijk is, gelet op de inrichting van de ruimte, dat de ex-partner de ruimte achter de winkel als verblijfplaats gebruikte, wat maakt dat het niet aannemelijk is dat verzoekster hiervan niet op de hoogte was. Dat de sluiting financiële gevolgen heeft voor verzoekster, leidt niet tot een andere conclusie. Daar staat namelijk tegenover dat verweerder de duur van de sluiting beperkt tot drie maanden door de vrijwillige sluiting van twee weken in mindering te brengen, de sluiting beperkt is tot bezoekers en niet voor verzoekster zelf.
Wat is de conclusie?
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen maakt. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Het winkelpand dient gesloten te blijven.
11. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2022 door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is per e-mailbericht aan partijen meegedeeld op 27 december 2022 om 16:49 uur.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidsregel met betrekking tot de toepassing van artikel 13b Opiumwet inzake woningen, lokalen en publiek toegankelijke inrichtingen niet zijnde horeca-, of seksinrichting.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) en 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1910, r.o. 10.2).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1910, r.o. 10.4).