ECLI:NL:RBDHA:2022:14946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 september 2022
Publicatiedatum
26 januari 2023
Zaaknummer
NL21.20325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis wegens ontbreken feitelijke gezinsband

Eiseres, met de Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf onder de regeling 'nareis' om bij haar echtgenoot, een Egyptische asielstatushouder in Nederland, te verblijven. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiseres niet feitelijk tot het gezin van de referent behoorde op het moment van diens binnenkomst in Nederland, het peilmoment.

Eiseres voerde aan dat er wel degelijk sprake was van een feitelijke gezinsband, ondanks het ontbreken van samenwoning en het feit dat zij niet bij de binnenkomst van haar echtgenoot was genoemd vanwege familieconflicten. Verweerder stelde dat de datum van binnenkomst bepalend is en dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende waren om een feitelijke gezinsband aan te tonen.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor nareis omdat zij niet feitelijk tot het gezin van de referent behoorde op het peilmoment. De rechtbank verwierp het argument dat verweerder een samenwoningseis hanteerde en stelde dat de hoorplicht niet was geschonden. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro werd niet toegepast omdat deze niet deel uitmaakt van de toetsing bij nareis.

Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.20325

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf [1] onder de beperking ‘nareis’ afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door referent en haar gemachtigde. Ten behoeve van referent is als tolk dhr. M. Fayez verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en wenst verblijf in Nederland bij haar echtgenoot, dhr. [A] (hierna: de referent). Referent heeft de Egyptische nationaliteit, is op 6 november 2019 ingereisd en heeft sinds 13 juli 2020 een asielstatus in Nederland. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres en referent op 15 april 2018 traditioneel gehuwd zijn met elkaar en dat dit huwelijk in juni 2020 wettig erkend is door de sharia rechtbank in Syrië.
2. Verweerder heeft de afwijzing van de mvv nareis in het bestreden besluit gehandhaafd, omdat eiseres niet feitelijk tot het gezin van referent behoorde op het moment van zijn inreis in Nederland.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
3. Eiseres voert in beroep – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent aangenomen. De omstandigheden van het geval hebben er toe geleid dat referent eiseres niet heeft genoemd bij binnenkomst in Nederland. De familieleden van eiseres waren het namelijk niet eens met de vlucht van referent en enkele van hen hebben de vader van referent bedreigd. De ouders van eiseres wilden eerst niet dat hun dochter naar Europa zou gaan. Zonder hun medeweten kon referent dan ook geen stukken opvragen ten behoeve van de nareis. Referent en eiseres waren anderhalf jaar getrouwd bij de inreis van referent en daarmee hebben zij hun gezinsband aangetoond. Ten onrechte vindt verweerder dat de datum van binnenkomst bepalend is en vereist daarmee (indirect) dat sprake moet zijn geweest van samenwoning. Eiseres en referent voldoen aan alle voorwaarden voor de verlening van de mvv nareis. Zij hebben gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [2] en de belangenafweging dient in hun voordeel uit te vallen. Tenslotte heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
4. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden.
Wat zijn de relevante regels?
5. Uit artikel 29, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 [3] volgt dat de echtgenoot van een vreemdeling, aan wie een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vw Pro 2000 is verleend, eenzelfde verblijfsrecht als de vreemdeling kan krijgen, indien de echtgenoot op het tijdstip van binnenkomst van de vreemdeling (het peilmoment) feitelijk tot diens gezin behoorde. Paragraaf C2/4.1.2 en C2/4.1.5 van de Vreemdelingencirculaire bieden de toepasselijke beleidsregels voor het beoordelen van het bestaan van een feitelijke gezinsband tussen referent en zijn gezinsleden op het peilmoment.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Feitelijke gezinsband
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet feitelijk tot het gezin van referent behoorde ten tijde van zijn binnenkomst in Nederland. Eiser is op 6 november 2019 ingereisd. Dat is het peilmoment.
De stelling dat eiseres en referent - ondanks nooit te hebben samengewoond - wél gezinsleven hebben gehad op het peilmoment is onvoldoende met stukken onderbouwd. De chatgesprekken die zijn overlegd, zijn van na de peildatum en kunnen daarom geen dragend bewijs zijn. De verklaringen van referent over zijn feitelijke gezinsband met eiseres zijn daarnaast onvoldoende overtuigend. Niet kan worden ingezien waarom referent eiseres niet als zijn echtgenote tijdens de asielprocedure genoemd heeft, terwijl zij reeds in 2018 met elkaar gehuwd waren. Uit alle overgelegde stukken en verklaringen kan niet geconcludeerd worden op welke wijze eiseres en referent invulling hebben gegeven aan hun huwelijks- en gezinsleven. Alles in samenhang bezien heeft verweerder daarom terecht en in lijn met zijn eigen beleid geen feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent aangenomen. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat verweerder (indirect) vereist dat zij met referent had moeten samenwonen. Verweerder heeft noch in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit samenwoning vereist. Ook heeft verweerder de omstandigheid dat eiseres en referent niet samenwonen op geen enkel moment aan hen tegengeworpen.
Artikel 8 van Pro het EVRM
7. Gelet op het voorgaande behoorde eiseres niet feitelijk tot het gezin van referent ten tijde van zijn binnenkomst in Nederland. Eiseres voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van de nareisvergunning, zoals weergegeven onder punt 5 van deze uitspraak. Op grond van vaste rechtspraak heeft verweerder daarom terecht niet aan artikel 8 van Pro het EVRM getoetst. [4] De door eiser op zitting aangevoerde uitspraak van de hoogste vreemdelingenrechter van 13 juli 2022 [5] maakt dat oordeel niet anders. Deze uitspraak ziet namelijk enkel op reguliere gezinshereniging tussen meerderjarige kinderen en hun ouders. In het geval van een aanvraag nareis dient enkel beoordeeld te worden of er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen referent en zijn gezinsleden: een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro is geen onderdeel van deze toetsing. Indien eiseres van mening is dat haar op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsrecht toekomt, kan zij een daartoe strekkende reguliere aanvraag indienen.
Hoorplicht
8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder - gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd - van het horen heeft mogen afzien. Aangezien in dit geval op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bij verweerder bestond dat de bezwaargronden tot een andersluidend besluit konden leiden, is van schending van de hoorplicht in bezwaar dan ook geen sprake.
Wat is de conclusie?
9. Het beroep is ongegrond.
10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Afgekort: mvv
2.Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Afgekort: Vw 2000.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1555.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.