ECLI:NL:RVS:2010:BO1555
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Nareisbeleid en het peilmoment voor gezinshereniging volgens de Vreemdelingenwet 2000
In deze zaak staat centraal de vraag welk peilmoment moet worden gehanteerd bij de beoordeling of vreemdelingen feitelijk tot het gezin van een in Nederland verblijvende hoofdpersoon behoren voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.
De vreemdelingen, minderjarige broers die na het overlijden van hun vader en de vermissing van hun moeder door de echtgenote van hun in Nederland verblijvende broer zijn verzorgd, vroegen om machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv). De minister weigerde deze op grond van het standpunt dat zij niet in het land van herkomst tot het gezin van de hoofdpersoon hadden behoord.
De rechtbank had de weigering vernietigd, maar de Raad van State stelde vast dat de rechtbank een onjuist toetsingskader hanteerde. Volgens de Raad is het juiste peilmoment het moment van vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst, conform internationale richtlijnen en de wetsgeschiedenis. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarbij tevens werd vastgesteld dat de minister terecht geen toepassing gaf aan artikel 4:84 Awb Pro en dat de vreemdelingen een reguliere aanvraag mvv dienen in te dienen indien zij een beroep op artikel 8 EVRM Pro willen doen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.