ECLI:NL:RBDHA:2022:14951
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige arbeid
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' af te wijzen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting waarbij partijen niet verschenen. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist.
Omdat de staatssecretaris heeft verklaard dat er geen concrete plannen voor uitzetting van verzoeker bestaan en vaste rechtspraak van de hoogste vreemdelingenrechter aangeeft dat in dat geval geen spoedeisend belang aanwezig is, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.