ECLI:NL:RBDHA:2022:14990
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan middelenvereiste
Eiseres, met de Afghaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot, de referent, die eveneens Afghaans is. Verweerder wees de aanvraag af omdat de referent niet voldeed aan het middelenvereiste zoals opgenomen in artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit vereiste dat het inkomen van de referent zelfstandig, voldoende en duurzaam moest zijn, waarbij premies en belastingen daadwerkelijk afgedragen moesten zijn.
Eiseres voerde aan dat het betrekken van belastingverplichtingen bij de beoordeling van het inkomen niet strookt met de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat de nationale eis strenger is dan toegestaan. Ook stelde zij dat er een betalingsregeling was getroffen en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde echter dat het betrekken van de afdracht van premies en belastingen geen extra eis is die strijdig is met de richtlijn. De referent had een forse belastingschuld en had niet aangetoond dat premies en belastingen waren afgedragen, waardoor zijn inkomsten niet als zelfstandig konden worden beschouwd.
De rechtbank vond dat verweerder terecht had afgezien van het horen van eiseres tijdens de bezwaarprocedure en dat de omstandigheden omtrent het paspoort van eiseres en haar situatie in Afghanistan geen aanleiding geven tot het verlenen van de mvv. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard omdat de referent niet voldoet aan het middelenvereiste.