Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 9 september 2019 en verweerder heeft tot op heden geen definitief besluit genomen. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring en intrekking daarvan, is verweerder in gebreke gesteld op 10 maart 2022.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden heeft beslist. De rechtbank legt een beslistermijn van zestien weken op, conform het 8+8-wekenmodel, waarbij eerst een eerste gehoor moet plaatsvinden binnen acht weken en daarna binnen acht weken het besluit moet volgen.
Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND het opleggen van een bestuurlijke dwangsom bij asielaanvragen beperkt, oordeelt de rechtbank dat zij op grond van een eerdere uitspraak een dwangsom kan verbinden aan het niet nakomen van de beslistermijn. Verweerder wordt daarom een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €379,50.