ECLI:NL:RBDHA:2022:15128
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens verbroken gezinsband bij nareis minderjarige
Eiser, een Eritrese minderjarige met verblijfstatus in Israël, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis naar Nederland bij zijn referent, zijn vader, die in Nederland verblijft met een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees de aanvraag af omdat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent als verbroken werd beschouwd. Dit was gebaseerd op het feit dat eiser sinds het vertrek van referent zelfstandig woonde en in zijn levensonderhoud voorzag.
Eiser voerde in beroep aan dat sprake was van een noodgedwongen scheiding en dat hij geen bewuste stap naar zelfstandigheid had gezet. Ook stelde hij dat hij financieel afhankelijk was van referent, die bij vertrek geld had achtergelaten. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht had geoordeeld dat de gezinsband was verbroken, omdat eiser zelfstandig woonde, werkte en zichzelf kon onderhouden zonder financiële afhankelijkheid van referent.
De rechtbank nam mee dat het vertrek van referent naar Nederland een bewuste stap was in het kader van gezinshereniging en geen onvermijdelijke vluchtsituatie. Ook bleek uit de zittingen dat eiser en referent overleg hadden over het vertrek en dat eiser sindsdien zelfstandig en moeiteloos kon functioneren. Daarom was het beroep ongegrond en werd de afwijzing van de aanvraag bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens verbroken gezinsband.