ECLI:NL:RBDHA:2022:15161
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 september 2022 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld, maar het beroepschrift bevatte geen gronden van het beroep, wat een vereiste is volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft eiser via een bericht in het digitale dossier op 28 september 2022 gewezen op dit verzuim en hem verzocht om uiterlijk 5 oktober 2022 alsnog de gronden van het beroep in te dienen. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact met eiser te hebben kunnen krijgen en daardoor niet in staat te zijn gronden in te dienen. Tevens heeft eiser zich afgemeld voor de zitting op 20 oktober 2022.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er omstandigheden zijn die een uitzondering op de nationale procedureregels rechtvaardigen, zoals bedoeld in jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank concludeerde dat dergelijke omstandigheden niet zijn gebleken.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden, en ziet zij geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.