Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 24 september 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat verweerder aannam dat eiser claimbaar was onder de Dublinverordening. Verweerder ging onterecht uit van een verlenging van de uiterste overdrachtstermijn zonder dit te controleren. De bewaring werd op 28 september 2022 opgeheven.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het aanknopingspunt voor de Dublinclaim onvoldoende concreet was en dat verweerder had moeten onderzoeken of de Dublinverordening daadwerkelijk van toepassing was voordat de bewaring werd opgelegd. Het ontbreken van actuele informatie bij de AVIM kon niet voor rekening van eiser komen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de bewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig was. Eiser kreeg een schadevergoeding van €560,- toegekend voor vijf dagen onrechtmatige bewaring. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €759,- aan de rechtsbijstandverlener van eiser.