ECLI:NL:RBDHA:2022:15209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2022
Publicatiedatum
9 februari 2023
Zaaknummer
NL22.19257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50, vierde lid VwArt. 106 VwArt. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens onjuiste toepassing Dublinverordening en toekenning schadevergoeding

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 24 september 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat verweerder aannam dat eiser claimbaar was onder de Dublinverordening. Verweerder ging onterecht uit van een verlenging van de uiterste overdrachtstermijn zonder dit te controleren. De bewaring werd op 28 september 2022 opgeheven.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het aanknopingspunt voor de Dublinclaim onvoldoende concreet was en dat verweerder had moeten onderzoeken of de Dublinverordening daadwerkelijk van toepassing was voordat de bewaring werd opgelegd. Het ontbreken van actuele informatie bij de AVIM kon niet voor rekening van eiser komen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de bewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig was. Eiser kreeg een schadevergoeding van €560,- toegekend voor vijf dagen onrechtmatige bewaring. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €759,- aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanaf oplegging en kent eiser een schadevergoeding van €560,- toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19257
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 28 september 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1986] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist.
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is. Eiser meent dat het voor verweerder voorafgaand aan de oplegging van de maatregel duidelijk had kunnen en moeten zijn dat eiser niet claimbaar was op grond van de Dublinverordening. Dat de AVIM geen informatie kon inwinnen in het weekend over de verblijfsrechtelijke positie van eiser, kan in redelijkheid niet voor rekening en risico van eiser worden gelaten.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de AVIM er vanuit mocht gaan dat eiser nog steeds claimbaar was op grond van de DUblinverordening. De AVIM kon op zaterdag 24 september niet in de systemen zien of de uiterste overdrachtsdatum al dan niet was verlengd. De AVIM heeft om die reden per e-mail bericht van 24 september 2022 hierover navraag gedaan bij Bureau Dublin. Op maandag 26 september 2022 heeft Bureau Dublin aan AVIM bericht dat eiser niet meer claimbaar was bij de Duitse autoriteiten. Op dat moment was het verweerder dan ook duidelijk dat eiser op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld en dat de bewaring van eiser omgezet had moeten worden naar artikel 59, eerste lid, onder a Vw. De omzetting van de maatregel is niet tijdig gebeurd, daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser van 26 september 2022 tot en met 28 september 2022 op een onjuiste grondslag in bewaring heeft gezeten en dat hem daarom een schadevergoeding voor drie dagen onrechtmatige bewaring toekomt.
7. In geschil is of de maatregel van bewaring vanaf het moment van oplegging daarvan onrechtmatig is, of vanaf 26 september 2022.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Van een Dublinclaimant is sprake wanneer een concreet aanknopingspunt bestaat dat de betreffende vreemdeling op grond van de
Dublinverordening aan een andere lidstaat van de EU zal kunnen worden overgedragen.1 Verweerder had als aanknopingspunt dat op 15 februari 2022 van de Duitse autoriteiten een claimakkoord is ontvangen en dat eiser op 3 maart 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder is er kennelijk vanuit gegaan dat de uiterste overdrachtstermijn is verlengd omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor eiser onder de Dublinverordening zou vallen. De rechtbank oordeelt dat dit aanknopingspunt onvoldoende concreet is. Immers, uit de systemen bleek niet – terwijl eiser al in maart 2022 met onbekende bestemming is vertrokken - dat de overdrachtstermijn is verlengd waardoor deze logischerwijs is verlopen op 15 augustus 2022. Dat de AVIM niet over dezelfde informatie beschikt als Bureau Dublin dan wel dat de te raadplegen systemen (nog) niet zijn geactualiseerd, komt niet voor rekening van eiser. Het lag op de weg van verweerder om eerst te onderzoeken of de Dublinverordening op eiser van toepassing was, voordat eiser in bewaring werd gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw. Dit had verweerder bijvoorbeeld kunnen doen door de termijn van de ophouding te verlengen, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt.
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2
x € 130,- (verblijf politiecel) en 3 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 560,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 560,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
1. Uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2122
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
06 oktober 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. S.G.M. van Veen M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.