ECLI:NL:RBDHA:2022:1522
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid na beoordeling geloofwaardigheid en samenwerkingsplicht
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 7 oktober 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde dat hij vanwege conflicten over grondbezit, mishandeling door dorpsgenoten en deelname aan boerenprotesten bescherming zocht. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig waren, evenals zijn deelname aan boerenprotesten. Echter, de problemen met de twee dorpsgenoten werden als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege summiere en inconsistente verklaringen. Verweerder had voldaan aan zijn samenwerkingsplicht door medisch onderzoek aan te bieden, het relaas te horen en stukken te onderzoeken.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat de vergelijkbare zaken onvoldoende vergelijkbaar waren en de asielprocedures van de andere vreemdelingen nog niet afgerond. Ook werd geoordeeld dat het medisch advies van MediFirst voldoende was meegenomen tijdens het besluit. De conclusie was dat eiser zich waarschijnlijk te kwader trouw had ontdaan van zijn paspoort, wat de afwijzing als kennelijk ongegrond rechtvaardigde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om aanhouding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond is ongegrond verklaard.