ECLI:NL:RVS:2016:1022
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kennelijke ongegrondheid asielaanvraag wegens vermoedelijke kwade trouw bij ontdoen van paspoort
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, zette de vrijheidsontnemende maatregel voort, bepaalde onmiddellijke vertrekplicht en legde een inreisverbod op. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond kon afwijzen op grond van artikel 30b Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling zich waarschijnlijk te kwader trouw van zijn Iraanse paspoort heeft ontdaan. De wisselende verklaringen van de vreemdeling en het feit dat hij na aankomst in Nederland zijn paspoort weggooide, ondersteunen dit oordeel.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond en dat van de staatssecretaris gegrond. Andere beroepsgronden en het terugkeerbesluit werden niet toegewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt bevestigd.