Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 15 november 2021, waarna verweerder niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden een besluit nam. Eiser stelde verweerder op 17 mei 2022 in gebreke en diende daarna een beroepschrift in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een eerste gehoor moet afnemen binnen acht weken na verzending van de uitspraak en vervolgens binnen acht weken daarna het besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
De rechtbank wijst erop dat op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND geen bestuurlijke dwangsom kan worden vastgesteld, maar dat de rechter wel een dwangsom kan opleggen bij niet-naleving van de opgelegde termijn. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 379,50, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde.
De uitspraak is gedaan door rechter J.A. Schuman en griffier L.L. Hol, en is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2022. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.