ECLI:NL:RBDHA:2022:15405
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening wegens geen rechtmatig verblijf in Nederland
Eiser is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 24 maart 2022 vastgesteld als persoon zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 5 juli 2022, stelde eiser beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om in Nederland te mogen blijven totdat het beroep is beslist. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 6 december 2022.
Eiser erkent dat hij niet voldoet aan de regels voor rechtmatig verblijf, maar betoogt dat de belangenafweging onjuist is gemaakt. Hij stelt dat hij een reële kans heeft op werk in Nederland vanwege eerdere arbeidsrelaties en economische contacten, en dat hij in Polen geen perspectief heeft. De rechtbank oordeelt dat verweerder de omstandigheden juist heeft meegewogen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reële kans op werk heeft of actief naar werk zoekt. Ook het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en familie in Nederland speelt mee.
Verder betoogt eiser dat de vertrektermijn van één maand te kort is en dat verweerder had moeten onderzoeken of een langere termijn gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt dat de Verblijfsrichtlijn en het arrest F.S. geen impliciete verplichting tot een langere termijn opleggen zonder dat eiser daarvoor feiten en omstandigheden heeft gesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat het belang daarvoor is komen te vervallen. Wel wordt het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen, maar een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.