ECLI:NL:RBDHA:2022:15441
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser diende een asielaanvraag in die door verweerder niet in behandeling werd genomen vanwege de Dublinverordening, waarbij Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. Eiser stelde dat Oostenrijk hem als Ahmadiyya uit Pakistan onvoldoende bescherming bood en vreest indirect refoulement.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er een evident en fundamenteel verschil bestaat tussen het beschermingsbeleid van Nederland en Oostenrijk ten aanzien van Ahmadiyya. Eiser overlegde geen concreet bewijs van het Oostenrijkse beleid. Tevens is Oostenrijk gebonden aan Europese en internationale normen die refoulement verbieden.
Daarnaast voerde eiser medische bezwaren aan tegen overplaatsing vanwege een aanstaande rugoperatie, maar kon dit niet onderbouwen met medische stukken. De rechtbank concludeerde dat de medische voorzieningen in Oostenrijk gelijkwaardig zijn en dat er geen reden is om Nederland als meest aangewezen land te beschouwen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Oostenrijk wordt ongegrond verklaard.