ECLI:NL:RBDHA:2022:15441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
NL22.21511
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30, eerste lid, Vreemdelingwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser diende een asielaanvraag in die door verweerder niet in behandeling werd genomen vanwege de Dublinverordening, waarbij Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. Eiser stelde dat Oostenrijk hem als Ahmadiyya uit Pakistan onvoldoende bescherming bood en vreest indirect refoulement.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er een evident en fundamenteel verschil bestaat tussen het beschermingsbeleid van Nederland en Oostenrijk ten aanzien van Ahmadiyya. Eiser overlegde geen concreet bewijs van het Oostenrijkse beleid. Tevens is Oostenrijk gebonden aan Europese en internationale normen die refoulement verbieden.

Daarnaast voerde eiser medische bezwaren aan tegen overplaatsing vanwege een aanstaande rugoperatie, maar kon dit niet onderbouwen met medische stukken. De rechtbank concludeerde dat de medische voorzieningen in Oostenrijk gelijkwaardig zijn en dat er geen reden is om Nederland als meest aangewezen land te beschouwen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Oostenrijk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.21511
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.21512, op 15 november 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.1 De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening2 Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dit geval heeft verweerder een terugnameverzoek naar Oostenrijk verstuurd. Oostenrijk heeft dit verzoek geaccepteerd.
Beschermingsbeleid en indirect refoulement
3. Eiser voert aan dat hij verbijsterd is over het feit dat Oostenrijk hem als Ahmadiyya uit Pakistan geen bescherming heeft verleend. Hij voelt zich totaal niet serieus genomen door de Oostenrijkse autoriteiten en vreest bij overdracht aan Oostenrijk gedwongen te worden teruggestuurd naar Pakistan waar hem een levensgroot risico op schending van artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wacht.
4. Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser hier dat er sprake is van een ander beschermingsbeleid in Oostenrijk ten aanzien van Ahmadiyya dan in Nederland. De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen Nederland en Oostenrijk sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid ten aanzien van Ahmadiyya uit Pakistan. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Vooropgesteld moet worden dat eiser het concrete Oostenrijkse landenbeleid ten aanzien van (Ahmadiyya uit) Pakistan niet heeft overgelegd en eiser ook geen andere documenten heeft overgelegd waaruit zou blijken dat er sprake is van een ander landenbeleid. In Nederland worden Pakistaanse Ahmadiyya aangemerkt als risicogroep, maar daarbij geldt wel dat de noodzaak voor de bescherming op grond van individuele aspecten beoordeeld wordt. Gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade wordt niet in het algemeen aangenomen. Daarmee staat dus niet op voorhand, dus zonder inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, vast dat aan eiser in Nederland wel internationale bescherming verleend zal worden. Nu eiser niet heeft aangetoond dat het Oostenrijkse beleid anders is, mag verweerder er nog steeds op vertrouwen dat de Oostenrijkse autoriteiten het risico op refoulement in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het EU Handvest beoordelen. Daarbij komt dat de Oostenrijkse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat een (nieuwe) asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen en beoordeeld in lijn met de verschillende Europese richtlijnen en internationale verdragen op het gebied van asielrecht. Dit houdt ook in dat Oostenrijk ervoor moet zorgen dat een eventuele uitzetting niet in strijd zal zijn met het verbod van refoulement. Dat sprake is van indirect refoulement omdat eiser vreest dat hij door Oostenrijk naar zijn land van herkomst zal worden teruggestuurd volgt de rechtbank daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie
5. Verder voert eiser aan dat hij niet gezond is. Hij wacht op een oproep voor een operatie aan zijn rug. Na die operatie zal er een hersteltijd zijn van zes maanden. Gedurende deze periode is reizen in het algemeen, laat staan per vliegtuig naar Oostenrijk, niet verantwoord.
1 Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij geopereerd moet worden aan zijn rug, dan wel dat er een herstelperiode van zes maanden zal zijn, dan wel dat hij als gevolg daarvan niet op een bepaalde manier zou kunnen reizen. Daarbij komt dat de medische voorzieningen in Oostenrijk gelijkwaardig zijn aan die in Nederland. Niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land zal zijn voor de operatie van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2022 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
15 november 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.