ECLI:NL:RBDHA:2023:10993
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en indirect refoulement
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, verzocht de rechtbank om het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te vernietigen waarin zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening.
Eiser stelde dat hij bij overdracht aan Oostenrijk risico loopt op indirect refoulement vanwege een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Oostenrijk, waarbij Oostenrijk minder bescherming zou bieden aan personen uit zijn risicogroep. Hij voerde aan dat Oostenrijkse rechters zijn asielaanvraag afwezen en dat het besluit onvoldoende op zijn persoonlijke omstandigheden was gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een evident en fundamenteel verschil bestaat in beschermingsbeleid tussen Nederland en Oostenrijk dat leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De rechtbank stelde dat het beschermingsbeleid in beide landen individuele beoordeling vereist en dat eiser niet had aangetoond dat de Oostenrijkse rechter hem niet zou beschermen.
Verder vond de rechtbank het bestreden besluit zorgvuldig gemotiveerd en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen omdat de rechtbank nu reeds over het beroep had beslist.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.