Eiser diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag. Verweerder nam uiteindelijk op 17 november 2022 een inwilligend besluit. Omdat het beroep mede gericht was tegen dit besluit, werd het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Eiser verzocht tevens om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom wegens de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank oordeelde dat op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is, mede gelet op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank kende wel proceskostenvergoeding toe aan eiser, omdat verweerder te laat heeft beslist en het beroep terecht is ingesteld. Verweerder had niet gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding, wat werd opgevat als geen bezwaar. De proceskosten werden vastgesteld op €379,50, rekening houdend met een wegingsfactor vanwege de beperkte aard van het geschil.