ECLI:NL:RVS:2022:3352
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitsluiting bestuurlijke dwangsom in asielprocedure niet strijdig is met Unierecht
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk, vernietigde het besluit van 17 september 2021 voor zover de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom had vastgesteld, en stelde vast dat de staatssecretaris een dwangsom van €1.442,00 verschuldigd was.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die uitsluit dat de staatssecretaris een bestuurlijke dwangsom verbeurt bij niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel. De Afdeling stelde dat de asielprocedure niet vergelijkbaar is met andere nationaalrechtelijke procedures waarin wel een bestuurlijke dwangsom kan worden verbeurd, vanwege de bijzondere kenmerken van de asielprocedure, zoals de lastige bewijspositie van de vreemdeling en de samenwerkingsplicht van de staatssecretaris.
De Afdeling verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Het beroep tegen het besluit van 17 september 2021 werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze het beroep gegrond had verklaard en de dwangsom had vastgesteld. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van de vreemdeling in hoger beroep niet te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 17 september 2021 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze een bestuurlijke dwangsom vaststelde.