ECLI:NL:RBDHA:2022:15492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 december 2022
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
NL22.10111
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet tijdig genomen besluit en toewijzing proceskostenvergoeding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag. Nadat verweerder alsnog een inwilligend besluit nam, werd het beroep mede gericht tegen dit besluit. De rechtbank acht het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang, nu het gewenste besluit is genomen.

Het verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die bepaalt dat bepaalde artikelen van de Awb niet van toepassing zijn op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die oordeelde dat het opschorten van de dwangsom niet in strijd is met het Unierecht.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €379,50, omdat het besluit te laat is genomen en het beroep terecht is ingesteld. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding, wat wordt geïnterpreteerd als geen bezwaar. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier O.G. Hulsman op 29 december 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, en verweerder is veroordeeld tot betaling van €379,50 aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10111
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag.
Op 17 augustus 2022 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Het beroep van eiser wordt geacht mede gericht te zijn tegen het inwilligend besluit.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Heeft verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
4. Voor zover eiser verzoekt om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom, overweegt de rechtbank als volgt.
5. In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), zoals die geldt sinds 11 juli 2021, is bepaald dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb (die deel uitmaken van afdeling 4.1.3) niet van toepassing zijn op een besluit op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 november 20222 is geoordeeld dat het opschorten van de bestuurlijke dwangsom geen strijd oplevert met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, waaronder begrepen het bepaalde in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit betekent dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd. Het beroep dat is gericht tegen het alsnog genomen besluit is daarom ongegrond.
Proceskostenveroordeling
6. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, nu het bestreden besluit van 17 augustus 2022 te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingesteld door eiser. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
7. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van eiser. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te betalen.
8. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op € 379,50. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van O.G. Hulsman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 december 2022

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.