Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 2 januari 2022, waarna verweerder binnen zes maanden had moeten beslissen. Eiser stelde verweerder op 16 augustus 2022 in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank legt een beslistermijn van zestien weken op, waarbij verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen. De rechtbank oordeelt dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, maar legt wel een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 bij overschrijding van de termijn.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op €379,50, vanwege inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat partijen daarmee instemden. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.