ECLI:NL:RBDHA:2022:15630
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening met Polen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat Nederland erop mag vertrouwen dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt (interstatelijk vertrouwensbeginsel). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is, ondanks verwijzingen naar rapporten over detentie van Dublinclaimanten in Polen en zijn persoonlijke ervaringen.
De rechtbank acht de eerdere jurisprudentie relevant, waarin is geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen nog steeds geldt. Ook acht de rechtbank de omstandigheden van eiser onvoldoende om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening te rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.