ECLI:NL:RBDHA:2022:15875
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening Polen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Polen volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat hij in Polen slachtoffer is geweest van discriminatie en vreest voor ernstige gewelddadigheden en onvoldoende bescherming door Poolse autoriteiten, waardoor Nederland de aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aan zich had moeten trekken.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Polen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico bestaat op schending van artikel 4 van Pro het EU-Handvest bij overdracht naar Polen.
De persoonlijke ervaringen van eiser met discriminatie en de verwijzingen naar rapporten en prejudiciële vragen zijn onvoldoende om het vertrouwen in de Poolse asielprocedure te ondermijnen.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.