Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2022 in de zaken tussen
[eiser 1], eiser [eiser 2], eiser 2
tezamen: eisers
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
8 maart 1984. Hij is in het bezit van een Zuid-Afrikaans paspoort, afgegeven op 15 februari 2017 en geldig tot 14 februari 2027. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen. [2] Van deze optiemogelijkheid kon van 1 april 2003 tot 1 april 2005 gebruik worden gemaakt.
Beslissing
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2022.
Rechtsmiddel
BIJLAGE
De meerderjarige die vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Rijkswet op grond van of, als minderjarige, wegens artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn Nederlanderschap heeft verloren, herkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van deze Rijkswet. Deze herkrijging werkt terug tot het moment van verlies. Artikel 6, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een verklaring tot herkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt in die verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in die verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, genoemde periode vangt aan op de dag van de bevestiging als bedoeld in artikel 6, tweede lid.