ECLI:NL:RBDHA:2022:16271
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering risico besnijdenis
Eisers, afkomstig uit de Oromo-regio in Ethiopië, vroegen om een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het oordeel dat de vader van eisers slechts een sympathisant was van een politieke groepering en dat er geen reëel risico bestond op vervolging of besnijdenis.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht aannam dat de vader geen prominente rol had binnen de politieke groepering en dat er onvoldoende bewijs was voor een reëel vervolgingsrisico vanwege de etnische achtergrond of activiteiten van de vader. Ook werd geoordeeld dat de algemene situatie voor Oromo-jongeren geen concreet risico op geweld voor eisers vormde.
Echter, de rechtbank vond dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom eiseressen 1 en 2 geen reëel risico liepen op besnijdenis bij terugkeer, ondanks de verklaringen van eisers dat zij dit niet wilden en dat hun ouders dit zouden respecteren. Gezien de sociale druk en de prevalentie van besnijdenis in de regio, achtte de rechtbank het noodzakelijk dat de staatssecretaris deze vrees opnieuw beoordeelt.
De rechtbank verklaarde het beroep van eiseressen 1 en 2 gegrond, vernietigde de bestreden besluiten en gaf de staatssecretaris acht weken de tijd om nieuwe besluiten te nemen. Het beroep van eiser (de derde eiser) werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres 1.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de verblijfsvergunning voor twee eisers wegens onvoldoende motivering omtrent het risico op besnijdenis en draagt de staatssecretaris op nieuwe besluiten te nemen.