Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [v-nummer]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Turkse nationaliteit, diende in 2007 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met de beperking arbeid in loondienst, welke werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Na diverse procedures, waaronder prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, werd het besluit vernietigd en kreeg eiser met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair niet-tijdelijk.
Eiser verzocht vervolgens om vergoeding van materiële schade wegens gederfde inkomsten van juli 2008 tot en met december 2014 en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat niet aan de vereisten voor schadevergoeding werd voldaan, met name de causaliteit en relativiteit.
De rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van het besluit vaststaat, maar dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk de gevraagde vergunning had gekregen of bij de genoemde werkgever had kunnen werken. Bovendien heeft eiser in de betreffende periode als zelfstandige inkomsten gegenereerd, waardoor de materiële schade niet is komen vast te staan.
Ten aanzien van immateriële schade overwoog de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn tien maanden bedroeg, wat een forfaitaire vergoeding van €1.000 zou rechtvaardigen. Echter, gezien de met terugwerkende kracht verleende vergunning en de compensatie die dit biedt, werd geen aanvullende vergoeding toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding wordt ongegrond verklaard.