Eiser, een Somalische vreemdeling, werd op 10 februari 2022 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd later opgeheven omdat het onderliggende terugkeerbesluit niet voldeed aan de wettelijke eisen, met name het ontbreken van een expliciet vermeld land van terugkeer.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was en dat de bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was. Tevens werd overwogen dat het terugkeerbesluit schorsende werking heeft conform het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de EU, waardoor bewaring met het oog op uitzetting niet toegestaan was.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €1.300 voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €1.518. Het beroep werd gegrond verklaard en het vonnis is gepubliceerd met mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.